Tag: zwaartekracht

  • De normaalkracht bij een versnelde rotatie in een vlak met polaire coördinaten

    De normaalkracht bij een versnelde rotatie in een vlak met polaire coördinaten


    In dit artikel leiden we een vergelijking af voor de normaalkracht op een massa in een versnelde rotatiebeweging in een vlak met gebruikmaking van polaire coördinaten. Zo’n vergelijking is zeer nuttig om de omstandigheden te berekenen waaronder de massa uit zijn circulaire baan zal vliegen. Uiteraard zijn er talloze situaties waarbij we de normaalkracht zouden moeten kunnen vinden. Hier zullen we echter een systeem zoals weergegeven in Figuur 1 beschouwen. Soms is het verkrijgen van een vergelijking in termen van de gegeven variabelen niet eenvoudig. In stap 7 tref je daartoe een handig truc aan waarmee je tot een vergelijking komt in termen van een simpele $\theta$ in plaats van de initieel verkregen tweedegraads afgeleide $\ddot\theta$.

    Dit artikel is mogelijk op het niveau van bachelorstudenten natuurkunde. Download dit artikel


    Notatie

    We passen Newtons notatie toe waar mogelijk aangezien het de meest compacte vorm is. Als $\mathbf{x}$ bijvoorbeeld een vector is dan worden hiervan de eerste- en tweedegraads afgeleiden ten opzichte van tijd $t$ respectievelijk genoteerd als

    \[ \dot{\mathbf{x}}\text{ en }\ddot{\mathbf{x}}. \]

    In andere gevallen waarbij het handig is om te expliciteren dat we te maken hebben met tijdsafhankelijke afgeleiden – bijvoorbeeld om een tijdsintegraal te berekenen – zullen we de notatie van Leibniz toepassen, dat wil zeggen

    \[ \frac{\text{d}\mathbf{x}}{\text{d}t}\text{ en }\frac{\text{d}^2\mathbf{x}}{\text{d}t^2}. \]

    De opdracht

    Bestudeer het systeem van Figuur 1. Stel dat we voor het systeem staan. Massa $m$ is bevestigd aan een modeldraad. Op $t=0$ rust het ter hoogte van het centrum van de cilinder met radius $R$ met het draad langs de bovenkant. Een constante kracht $\mathbf{P}$ trekt de draad naar beneden. Op een later tijdstip $t$ zal massa $m$ via de bovenkant glijden met een wrijvingscoëfficiënt $\mu$. De hoek $\theta$ is de hoek tussen de initiële positie van $m$ en zijn huidige positie zoals weergegeven in de figuur. Bereken de normaalkracht op $m$ en bewijs daarmee dat de straal van de cilinder hier irrelevant is.

    Figuur 1. Het systeem

    Stap 1. Krachtendiagram en eenheidsvectoren

    Het is van essentieel belang om een schets te maken van de krachten, parameters en de eenheidsvectoren. We kiezen hier de radiale eenheidsvector en de tangente eenheidsvector. Dit maakt de berekening een stuk eenvoudiger. Zie Figuur 2.

    Figuur 2. Krachtendiagram en de eenheidsvectoren op tijdstip $t>0$

    We onderscheiden de volgende krachten op $m$:

    • $\mathbf{P}$ is de vector die de constante trekkracht op de modeldraad representeert,
    • $\mathbf{N}$ is de vector die de normaalkracht op $m$ door de cilinder representeert,
    • $\mathbf{F}$ is de vector voor de wrijvingskracht,
    • $\mathbf{W}$ is de vector voor het gewicht van $m$ als gevolg van het zwaartekrachtveld van de planeet waar het systeem zich bevindt,
    • $\mathbf{e}_r$ is de radiale eenheidsvector,
    • $\mathbf{e}_\theta$ is de tangente eenheidsvector.

    Stap 2. Toepassing van Newtons tweede wet

    Aangezien het een dynamisch systeem betreft, waarbij $m$ zich in een versnelde cirkelvormige beweging bevindt, passen we Newtons tweede wet toe. Om precies te zijn, deze vorm:

    \begin{equation}
    \sum\mathbf{F} = m\ddot{\mathbf{r}},
    \end{equation}

    waarbij $\ddot{\mathbf{r}}$ de snelheidsverandering in de tijd is, oftewel, het tweedegraads tijdsderivaat van de verplaatsingsvector $\mathbf{r}$ van massa $m$. We kunnen nu de componenten van de som der vectoren onderscheiden zoals we al eerder deden in stap 1. En dus, vergelijking (1) wordt

    \begin{equation}m\ddot{\mathbf{r}} = \mathbf{P} + \mathbf{N} + \mathbf{F} + \mathbf{W}.
    \end{equation}

    Stap 3. Herschrijf de krachten in termen van hun grootte en eenheidsvectoren

    Aangezien trekkracht $\mathbf{P}$ met grootte $|\mathbf{P}|$ in de richting van de tangente eenheidsvector $\mathbf{e}_\theta$ acteert, kunnen we voor $\mathbf{P}$ schrijven:

    \begin{equation}
    \mathbf{P} = |\mathbf{P}|\mathbf{e}_\theta.
    \end{equation}

    We hebben geen nadere informatie over deze kracht, dus dit is wat het is.

    De normaalkracht $\mathbf{N}$ wijst in de richting van de radiale eenheidsvector $\mathbf{e}_r$, dus kunnen we schrijven:

    \begin{equation}
    \mathbf{N} = |\mathbf{N}|\mathbf{e}_r.
    \end{equation}

    Wrijving $\mathbf{F}$ opereert in de tegenovergestelde richting van de tangente eenheidsvector $\mathbf{e}_\theta$, dus plaatsen we een min-teken in de uitdrukking. Bovendien, aangezien een (droge) wrijvingskracht normaal gesproken gemodelleerd wordt door het product van de wrijvingscoëfficiënt en de normaalkracht, kunnen we schrijven:

    \begin{equation}
    \mathbf{F} = \mu|\mathbf{N}|(-\mathbf{e}_\theta).
    \end{equation}

    Ten slotte is gewicht de kracht als gevolg van de zwaartekracht: $|\mathbf{W}|=mg$, waarbij $g$ de gravitatieconstante is. Niettemin moeten we ook deze kracht in termen van zijn componenten langs de radiale en parallel met de tangente eenheidsvectoren opschrijven. Aangezien deze laatsten omhoog wijzen terwijl de eerste omlaag wijst, weten we al dat beide componenten een min-teken verkrijgen, namelijk $(-\mathbf{e}_r)$ en $(-\mathbf{e}_\theta)$. Wat overblijft is de correcte vergelijking voor de grootte van het gewicht in termen van de eenheidsvectoren.

    Om duidelijk aan tonen hoe we een uitdrukking voor $\mathbf{W}$ in termen van zijn componenten parallel aan $\mathbf{e}_r$ en $\mathbf{e}_\theta$ verkrijgen, zie Figure 3.

    Figuur 3. De componenten van $\mathbf{W}$

    Wat je ziet is de gewichtsvector $\mathbf{W}$ van het krachtendiagram in Figuur 2, inclusief de radiale en tangentiële eenheidsvectoren $\mathbf{e}_r$ and $\mathbf{e}_\theta$. Voor de duidelijkheid hebben we deze op de plek van massa $m$ afgebeeld. Tevens zijn er de twee componentvectoren in de tegenovergestelde richting van de eenheidsvectoren waarvoor we de expressies moeten vinden.

    Stel, componentvector $\mathbf{v}_r = a(-\mathbf{e}_r)$ en componentvector $\mathbf{v}_\theta = b(-\mathbf{e}_\theta)$, waar $a$ en $b$ twee waarden zijn zodanig  dat de vectorsom van $\mathbf{v}_r$ en $\mathbf{v}_\theta$ gelijk is aan $\mathbf{W}$. Met andere woorden,

    \begin{equation}
    \mathbf{W} = \mathbf{v}_r + \mathbf{v}_\theta = a(-\mathbf{e}_r) + b(-\mathbf{e}_\theta).
    \end{equation}

    Om waarden te vinden voor de grootte van $a$ en $b$ gebruiken het feit dat de magnitude $|\mathbf{W}| = mg$. Dus, gebruikmakende van middelbareschooltrigonometrie concluderen we

    \begin{align}
    a &= mg\sin\theta, \\
    b &= mg\cos\theta.
    \end{align}

    Nu kunnen we $\mathbf{W}$ in termen van zijn componenten opstellen, gebruikmakende van de in vergelijking (6) te substitueren situaties van vergelijking (7) en (8):

    \begin{equation}
    \mathbf{W} = mg\sin\theta(-\mathbf{e}_r) + mg\cos\theta(-\mathbf{e}_\theta).
    \end{equation}

    En dus, als we vergelijkingen (3), (4), (5), en (9) in vergelijking (2) substitueren, krijgen we:

    \begin{align}
    m\ddot{\mathbf{r}} &= |\mathbf{P}|\mathbf{e}_\theta + |\mathbf{N}|\mathbf{e}_r + \mu|\mathbf{N}|(-\mathbf{e}_\theta)\nonumber \\
    &\hspace{2em}+ mg\sin\theta(-\mathbf{e}_r) + mg\cos\theta(-\mathbf{e}_\theta).
    \end{align}

    Stap 4. Druk de Cartesiaanse $\ddot{\mathbf{r}}$ uit in polaire coördinaten

    We weten dat de vergelijking van het tweedegraads tijdsderivaat van de versnelde cirkelvormige beweging

    \begin{equation}
    \ddot{\mathbf{r}} = -R\dot{\theta}^2\mathbf{e}_r + R\ddot{\theta}\mathbf{e}_\theta,
    \end{equation}

    waarbij $R$ de straal van de rotatie is, i.e. de cilinder. We vervolgen door vergelijking (11) in (10) te substitueren.

    En dus verkrijgen we

    \begin{align*}
    m(-R\dot{\theta}^2\mathbf{e}_r + R\ddot{\theta}\mathbf{e}_\theta) &= |\mathbf{P}|\mathbf{e}_\theta + |\mathbf{N}|\mathbf{e}_r + \mu|\mathbf{N}|(-\mathbf{e}_\theta) \\
    &\hspace{2em}+ mg\sin\theta(-\mathbf{e}_r) + mg\cos\theta(-\mathbf{e}_\theta),
    \end{align*}

    wat, uiteraard, uitgewerkt, verwordt tot

    \begin{align}
    -mR\dot{\theta}^2\mathbf{e}_r + mR\ddot{\theta}\mathbf{e}_\theta &= |\mathbf{P}|\mathbf{e}_\theta + |\mathbf{N}|\mathbf{e}_r + \mu|\mathbf{N}|(-\mathbf{e}_\theta) \nonumber \\
    &\hspace{2em}+ mg\sin\theta(-\mathbf{e}_r) + mg\cos\theta(-\mathbf{e}_\theta).
    \end{align}

    Stap 5. Radiaal en tangentieel ontbinden

    We kunnen nu vergelijking (12) in zijn radiale en tangentiële componenten ontbinden:

    \begin{align}
    \mathbf{e}_r &: -mR\dot{\theta}^2 = N – mg\sin\theta, \\
    \mathbf{e}_\theta &: mR\ddot{\theta} = P – \mu N – mg\cos\theta.
    \end{align}

    Stap 6. Construeer de bewegingsvergelijking in polaire coördinaten

    Herschikking van vergelijking (14) leidt tot de volgende tweedegraads differentiaalvergelijking van beweging:

    \begin{equation}
    \ddot{\theta} = \frac{P – \mu N – mg\cos\theta}{mR}.
    \end{equation}

    Hoewel we nu al vergelijking (14) hadden kunnen oplossen voor $N$ zou dit niettemin de opname van het tweedegraads tijdsderivaat betekenen van $\theta$. In plaats daarvan willen we een expressie voor $N$ in termen van een simpele $\theta$. Dit betekent dat we ons op een of andere wijze moeten ontdoen van $\ddot{\theta}$. Het is niet direct duidelijk hoe vergelijking (14) of (15) moet worden bewerkt om dit te bereiken. Er is echter een mooie truc.

    Stap 7. De truc

    Kijk naar de volgende vergelijking waar we de kettingregel toepassen:

    \begin{equation}
    \frac{\text{d}\dot{\theta}^2}{\text{d}t} = \frac{\text{d}\dot{\theta}^2}{\text{d}\dot{\theta}}\frac{\text{d}\dot{\theta}}{\text{d}t} = 2\dot{\theta}\frac{\text{d}\dot{\theta}}{\text{d}t} = 2\dot{\theta}\ddot{\theta}.
    \end{equation}

    Dus, als we vergelijking (15) in (16) substitueren, verkrijgen we

    \begin{equation}
    \frac{\text{d}\dot{\theta}^2}{\text{d}t} = 2\dot{\theta}\left(\frac{P – \mu N – mg\cos\theta}{mR}\right).
    \end{equation}

    Als we nu beide zijden integreren ten opzichte van de tijd, verkrijgen we

    \begin{align}
    \int \frac{\text{d}\dot{\theta}^2}{\text{d}t}\text{d}t &= \int 2\dot{\theta}\left(\frac{P – \mu N – mg\cos\theta}{mR}\right)\text{d}t, \nonumber \\
    \dot{\theta}^2 + A &= 2 \int \frac{\text{d}\theta}{\text{d}t}\left(\frac{P – \mu N – mg\cos\theta}{mR}\right)\text{d}t, \nonumber \\
    &\text{waarbij $A$ een willekeurige constante is}, \nonumber \\
    \dot{\theta}^2 + A &= 2 \int \left(\frac{P – \mu N – mg\cos\theta}{mR}\right)\text{d}\theta, \nonumber \\
    \dot{\theta}^2 + A &= \frac{2}{mR} \int (P – \mu N – mg\cos\theta)\,\text{d}\theta, \nonumber \\
    \dot{\theta}^2 + A &= \frac{2}{mR} \left( P\int 1\,\text{d}\theta – \mu N\int 1\,\text{d}\theta – mg\int \cos\theta\,\text{d}\theta\right), \nonumber \\
    \dot{\theta}^2 + A &= \frac{2P\theta}{mR} – \frac{2\mu N\theta}{mR} – \frac{2mg\sin\theta}{mR} + B, \nonumber \\
    &\text{waarbij $B$ een willekeurige constante is}, \nonumber \\
    \dot{\theta}^2 &= \frac{2P\theta}{mR} – \frac{2\mu N\theta}{mR} – \frac{2g\sin\theta}{R} + B – A, \nonumber \\
    \dot{\theta}^2 &= \frac{2P\theta}{mR} – \frac{2\mu N\theta}{mR} – \frac{2g\sin\theta}{R} + C, \\
    &\text{waarbij $C=B-A$} \nonumber.
    \end{align}

    Om het probleem van initiële conditie op te lossen om de waarde van $C$ te vinden, gebruiken we het feit dat op tijdstip $t=0$, hoek $\theta = 0$, en dus $\dot{\theta} = \ddot{\theta} = 0$. Dit levert op $C = 0$ in vergelijking (18), en dus verkrijgen we

    \begin{equation}
    \dot{\theta}^2 = \frac{2P\theta}{mR} – \frac{2\mu N\theta}{mR} – \frac{2g\sin\theta}{R}.
    \end{equation}

    Let wel, we hebben nu een vergelijking voor $\dot{\theta}^2$, die al verscheen in vergelijking (13). We kunnen daarom vergelijking (19) in (13) substitueren:

    \begin{equation}
    -mR\left(\frac{2P\theta}{mR} – \frac{2\mu N\theta}{mR} – \frac{2g\sin\theta}{R}\right) = N – mg\sin\theta.
    \end{equation}

    Verder uitgewerkt en opnieuw geschikt, levert

    \begin{align}
    N – mg\sin\theta &= -2P\theta + 2\mu N\theta + 2mg\sin\theta, \nonumber \\
    N – 2\mu N\theta &= -2P\theta + 2mg\sin\theta + mg\sin\theta, \nonumber \\
    N(1 – 2\mu \theta) &= -2P\theta + 3mg\sin\theta, \nonumber \\
    N &= \frac{3mg\sin\theta – 2P\theta}{1-2\mu\theta}.
    \end{align}

    En dus hebben we nu een uitdrukking voor $N$ in termen van de gravitatieconstante $g$, de variabelen $m$, $\mu$ en $P$, en de veel handzamere $\theta$ in plaats van $\dot\theta^2$.

    Als we willen berekenen wanneer een massa uit de bocht zal vliegen schrijven we $N = 0$, aangezien hier de massa fysiek niet langer op de cilinder rust (er wordt immers niet langer een normaalkracht op de massa uitgeoefend). Met andere woorden, vind de nulpunten van vergelijking (21) om de onbekende variabele te vinden. Merk op dat $R$ geen rol meer speelt. Houd daarbij uiteraard in het achterhoofd dat $m$ als puntmassa is gemodelleerd.

  • Maar even tussendoor: waarom zinken grote, zware schepen niet?

    Maar even tussendoor: waarom zinken grote, zware schepen niet?


    Tenzij door een vergissing, zinken schepen niet in het water. Zelfs de zware, grote types niet. Af en toe stellen leerboeken dat het komt door een verschil in dichtheid. Hoewel niet onjuist, is het niet de fundamentele oorzaak. Schepen mogen dan soms naar de bodem verdwijnen door de zwaartekracht, ze drijven ook dankzij de zwaartekracht.


    Als een vaartuig te water wordt gelaten, zinkt het altijd een beetje onder het oppervlak totdat het stopt, bij voorkeur op een veilige afstand van waar mensen doorgaans uithangen. Omdat het, in dit universum, onmogelijk is voor water om op hetzelfde moment dezelfde plek in de ruimte in beslag te nemen als het ondergedompelde deel van een scheepsromp, is het volume van dit gedeelte even groot als het volume van het door de romp weggedrukte water. Dit heeft als gevolg dat het wateroppervlak een beetje stijgt. Omdat de meeste wateren enorm groot zijn, is die stijging niettemin onmerkbaar.

    Ondanks deze normaal gesproken onbeduidende toename, ’trekt’ de zwaartekracht nog steeds ieder kubiek stukje van het gestegen water aan, wat vervolgens een drukkracht uitoefent op het schip. De kracht uitgeoefend door het gewicht van het verplaatste water is gelijk aan de opwaartse drukkracht op de bodem van het schip. Dit wordt de Wet van Archimedes genoemd.

    Met andere woorden, terwijl het gewicht van het schip een kracht op het water uitoefent als gevolg van de zwaartekracht, oefent het water om het schip heen op zijn beurt een drukkracht uit op het schip, ook als gevolg van de zwaartekracht. Die laatste is aan het handje drukken tegen zichzelf, als het ware.

    Zolang de opwaartse drukkracht even groot is als de kracht van het gewicht van het schip, is er niets aan de hand. Overigens, is het zeker zo dat de druk ook krachten uitoefent op de zijkanten van het schip, maar die vallen tegen elkaar weg omdat ze met gelijke sterkte in elkaars tegenovergestelde richting werken, dus die strepen we weg uit de vergelijking.

    De truc is uiteraard om de vorm van de scheepsromp zodanig te ontwerpen dat zijn ondergedompelde volume een hoeveelheid water verplaatst dat net zoveel weegt als het schip. Deze ontwerpkeuzes beïnvloeden de verhouding tussen zijn massa en zijn volume. En dit is waarom regelmatig wordt verwezen naar dichtheid, vaak gepaard gaand met wat slimme algebra. Hoewel niet fundamenteel, is dichtheid een nuttig en hanteerbaar kenmerk voor fenomenen op aarde, zoals het leveren van een verklaring voor waarom olie op water drijft en niet andersom.

    Totdat je niet langer op aarde bent, maar bijvoorbeeld op het internationale ruimtestation ISS. Kijk maar eens wat er gebeurt als je olie en water bij elkaar doet, zonder zwaartekracht.

    Figuur (1) toont een massa dat op het punt staat te water te worden gelaten. De hoogte van het wateroppervlak is aangegeven met een streepjeslijn. In Figuur 2 is de massa gedeeltelijk ondergedompeld, waardoor er een bepaald volume aan water omhoog wordt verplaatst aan weerszijden van de massa. De grijze pijl symboliseert (de kracht van) het gewicht van de massa. De twee blauwe, neerwaartse pijlen staan voor (de kracht van) het gewicht van het verplaatste watervolume. Deze laatsten veroorzaken een opwaartse druk op de bodem van de massa, zoals weergegeven door de twee blauwe, opwaartse pijlen op onderkant van de massa. Merk op hoe de som van de lengte van de opwaartse pijlen gelijk is aan de lengte van de grijze pijl: de massa drijft.

    Uiteraard oefent de luchtdruk ook een extra kracht uit op het schip, maar dat doet het ook op het wateroppervlak. Om het bovendien simpel te houden, hebben we die daarom verder buiten beschouwing gelaten.

  • Waarom je koffie geen last heeft van eb en vloed

    Waarom je koffie geen last heeft van eb en vloed


    De maan draait om de aarde en zijn zwaartekracht veroorzaakt eb en vloed. Maar waarom heeft een zwembad geen eb en vloed? En een kop koffie? Het menselijk lichaam bestaat voor het grootste gedeelte uit water. Staat dat niet ook onder invloed van de maan? Zolang je al deze mooie vragen stelt, kun je er bijna zeker van uitgaan dat wat je dacht dat eb en vloed veroorzaakt, niet juist is.


    Herinner je je nog, op de middelbare school, dat de natuurkundeleraar alle lucht uit een grote, doorzichtige koker liet zuigen en dat er in die koker verder niets anders dan een veertje en een stalen kogel of iets dergelijks zat? En dat ze vervolgens vroeg of jullie konden voorspellen welke het eerste de bodem zou raken als ze de koker zou omdraaien?

    Uiteraard bleken beide objecten met exact dezelfde snelheid op de bodem te vallen. We leerden dat het niet uitmaakt dat de stalen kogel meer massa heeft dan de veer. De zwaartekracht van de aarde heeft dezelfde uitwerking op beide dingen. Alles, eigenlijk, dat door de zwaartekracht van onze planeet naar beneden wordt ‘getrokken’, valt met dezelfde snelheid, ongeacht hoe groot de massa van de dingen is (als we iedere vorm van frictie even buiten beschouwing laten).

    Zwaartekracht van de maan

    Hoewel de zwaartekracht van de maan kleiner is dan die van de aarde is het principe hetzelfde. Ongeacht de massa van een object valt het recht naar het maanoppervlak met precies dezelfde snelheid als ieder ander ding. Op 2 augustus 1971 toonde NASA-commandant David Scott aan dat een hamer en een veer tegelijk op de maanbodem vallen.

    Foto: NASA

    De zwaartekracht van de maan is sterk genoeg voor een merkbaar effect op aarde, zoals we weten. Het is inderdaad de reden waarom onze oceanen eb en vloed kennen. Maar als de zwaartekracht van de aarde of de maan op dezelfde manier objecten beïnvloedt, ongeacht hun massa, hoe komt het dan dat bijvoorbeeld een badkuip geen getijden heeft? Ja, het heeft minder massa, maar commandant David Scotts experiment toonde aan dat dit niet uitmaakt. En als de zwaartekracht van de maan in staat is om immense massa’s water, zoals complete oceanen, letterlijk meters omhoog te trekken, hoe komt het dan dat onze badeend niet in de lucht begint te zweven zodra de maan even boven onze huizen zwiept?

    Het antwoord is zowel voor de hand liggend alsook enigszins tegenstrijdig: omdat de zwaartekracht van de maan verwaarloosbaar klein is, behalve wanneer het dat niet is.

    Verkeerd beeld

    Laten we naar de vereenvoudigde situatie van Figuur 1 kijken. Om het allemaal iets simpeler te maken, stellen we onze planeet voor als een grote waterbal. Er zijn voorlopig geen continenten.

    We zien een schematische weergave van de aarde en de maan. Er bevinden zich geen continenten op de aarde; alleen water. Ter hoogte van de maan puilt het water een beetje uit aan weerszijden van de aarde. Punt A bevindt zich in de uitstulping het dichtst bij de maan. Punt B bevindt zich in de uitstulping het verst weg van de maan.
    Figuur 1. De getijden van de aarde en de maan. (Niet op schaal!)

    De eerste misconceptie. Hoewel het intuïtief het geval lijkt, wordt de uitstulping bij punt A niet veroorzaakt doordat de zwaartekracht van de maan aan dat punt trekt, in tegenstelling tot wat regelmatig geschreven wordt.

    Bovendien zou je in veel stukjes de volgende onjuiste verklaring voor de uitstulping bij punt B kunnen aantreffen. ‘De aantrekkingskracht van de maan is kleiner bij punt B dan bij punt A, dus punt B blijft waar het is, terwijl punt A verder richting de maan wordt aangetrokken. Alles tussen A en B wordt als een soort kauwgom uitgerekt. Dus, vanuit het perspectief van iemand die (op ’t vaste land) bij punt B staat, stijgt ook daar het water.’

    Dit is dus ook grotendeels onjuist. Het klopt dat de zwaartekracht van de maan bij B kleiner is dan bij A, maar dat is niet wat de uitstulping veroorzaakt bij punt B. Niet rechtstreeks, zoals hier beschreven, althans.

    Vele kleintjes maken één grote

    Laten we de punten C en D bekijken op twee verschillende stukjes water in Figuur 2. De zwaartekracht van de maan werkt op die twee punten onder een hoek, zoals is weergegeven door de blauwe pijlen of vectoren. Tegelijkertijd wordt de gehele aarde door diezelfde zwaartekracht lichtelijk richting de maan verplaatst zoals gemodelleerd is door de rode vector.

    In de basis is het dezelfde schematische weergave als Figuur 1, maar nu zijn er twee punten bij gekomen: C en D. Punt C ligt op het aardoppervlak iets rechts van de noordpool. Punt D ligt precies tussen de noordpool en punt B in, aan de andere kant van de aarde, bezien vanuit de maan. Vanuit het centrum van de aarde wijst een kleine rode pijl naar het centrum van de maan. Dit representeert de kracht die de maan uitoefent op de gehele aarde. De pijl wordt een vector genoemd. Er wijst ook een kleine blauwe vector vanuit punt C naar het centrum van de maan. Dit representeert de zwaartekracht van de maan op punt C. Evenzo voor punt D.
    Figuur 2. De zwaartekracht van de maan grijpt aan op punten C en D en de gehele aardbol

    Dus, punten C en D ondergaan twee gelijktijdige krachten zoals expliciet weergegeven in Figuur 3. Merk op dat de blauwe en rode vectoren verschillende hoeken hebben. Onze natuur- en/of wiskundeleraar op de middelbare school leerde ons vervolgens dat twee of meer krachten uitgeoefend op hetzelfde punt gemodelleerd kunnen worden als één nettokracht, de resultante.

    Nu volgen twee belangrijke stappen: 1. Newton leerde ons dat een kracht een versnelling is, dus de pijlen in Figuur 3 zien we vanaf nu als een versnelling. 2. Om de versnelling van het stukje water van de punten C en D ten opzichte van het aardoppervlak te bepalen, trekken we de rode vector af van de blauwe vector. Wat we overhouden is de groene vector, de resultante.

    We hebben ingezoomd op punten C en D. Vanuit punt C loopt nog steeds de blauwe vector schuin richting het centrum van de maan: de zwaartekracht van de maan op punt C. Vanuit punt C loopt nu ook een kopie van de horizontale, rode vector, de zwaartekracht van de maan op de gehele aarde. Er lopen kortom twee krachtenvectoren vanuit punt C. Een derde, kleine, groene vector is getekend tussen de koppen van de rode en blauwe vectoren. Dit is de resultante kracht, de nettokracht van de twee gelijktijdige, rode en blauwe krachten. De groene vector wijst naar beneden, een soort van in de aarde. Omdat het water niet in de aarde kan verdwijnen, schuift het water dus op richting punt A, de locatie waar de uitstulping, vloed, zal worden veroorzaakt. In punt D geldt precies hetzelfde, behalve dan dat de groene vector de andere kant op wijst, richting punt B, de vloed aan de andere kant van de aarde.
    Figuur 3. De resultante krachten, de nettokrachten, worden weergegeven als groene vectoren

    In Figuur 3 wordt vertoond hoe de combinatie van de twee rode en blauwe brutokrachten een nettokracht opleveren, hier gerepresenteerd door de groene vectoren. Let op: de nettokrachten zijn wat we schijnkrachten noemen. Denk aan een auto die plotseling optrekt. Ten opzichte van de grond beweegt je hoofd nog even niet, maar gezien vanuit de auto lijkt het alsof je hoofd door een onzichtbare kracht naar achteren wordt geduwd. Een getijde wordt dus veroorzaakt door wat in het Engels een ’tidal force’ wordt genoemd, een schijnkracht.

    Welnu, als we het bovenstaande uitvoeren voor heel veel punten, verkrijg je de groene vectoren zoals weergegeven in Figuur 4. En warempel, alle groene (hier zwarte) pijlen blijken zich te hebben gerangschikt als waren het de uitstulpingen van de getijden.

    We zien nu alleen de aarde met een hele rij nettokrachten over het hele aardoppervlak getekend. Die representeren de groene vectoren (in deze tekening zwart) van veel meer punten dan alleen C en D. Alle vectoren blijken precies op dusdanige wijze te zijn gericht dat de twee uitstulpingen voor vloed aan weerszijden van de aarde een logisch gevolg is.
    Figuur 4. Het differentiaalveld van nettokrachten weergegeven als een hele rij nettokrachten (de groene pijlen zijn hier de zwarte pijlen)

    Dit laat zien wat er eigenlijk plaatsvindt: ieder minuscuul stukje water wordt beïnvloed door een heel klein beetje nettokracht in de richting van waar de uitstulpingen zullen ontstaan, daarbij ieder ander stukje water voor zich uit duwende, richting de uitstulpingen, daarmee überhaupt de uitstulpingen veroorzakend.

    In de tekening zijn alle pijlen veel te groot weergegeven, zodat we ze kunnen zien. In werkelijkheid zijn de nettokrachten miniem. Microscopisch miniem.

    En dit is de sleutel om de paradox op te lossen. Hoewel een nettokracht, als gevolg van de zwaartekrachtsinvloeden van de maan, volkomen insignificant is op een enkel stukje water, is de hoeveelheid oceaan op aarde bepaald het tegenovergestelde van verwaarloosbaar. De immense optelsom van alle nettokrachten op ieder kubiek stukje in de oceanische vloeistof is kortom zéér significant en in sommige gevallen, afhankelijk van de vorm van het vaste land, levensgevaarlijk significant.

    Conclusie

    De invloed van de maan op kleine dingen is minuscuul. Het heeft volstrekt geen merkbare invloed op je koffie, je lichaam, je badkuip, vijvers en meren. Ieder getij in een kop koffie zal kleiner zijn dan een bacterie dik is — een effect dat onmiddellijk teniet gedaan wordt door de aanwezigheid van een bacterie in je koffie die z’n rugcrawl oefent. Als je koffie toch getijden begint te vertonen, bereid je voor op de Apocalypse en/of ontsnapte dinosauriërs. Hoe dan ook, er is dan iets goed mis.

    Zelfs een meer ter grootte van Lake Michigan zal enkel een paar centimeter omhoog komen — met gemak tenietgedaan door het kabbelende wateroppervlak op een zonnige lentedag. Dus je kunt het je voorstellen dat je lichaam er totaal niets van merkt. Alleen al de bloeddruk benodigd om zuurstof naar je hersenen te vervoeren verpulvert iedere getijde-invloed van de maan — die sowieso kleiner zou zijn geweest dan de dikte van een haar. Als je het gevoel hebt minder in staat te zijn tot rationele gedachten, weet je nu dat het niet de maan is. Maar check je bloeddruk.

    In het geval van een oceaan, een vloeibaar lichaam met heel, heel, heel erg veel kleine, waterdeeltjes die vrijelijk over elkaar kunnen rollen en schuiven, zullen er echter inderdaad uitstulpingen verschijnen, daar waar de maan even langs wipt. Het opkomen van de uitstulping geschiedt daarbij door een duwen en niet een trekken.

    Kortom, er zijn octiljoen minuscuul kleine nettokrachten op ieder kubiek stukje oceaanwater die een opwaartse stuwing veroorzaken waardoor de twee uitstulpingen ontstaan. Meren, vijvers, badkuipen, menselijke lijven en koffiemokken komen niet eens een beetje in de buurt van die hoeveelheid.

    EDIT: het oorspronkelijke artikel verzuimde te vermelden dat de getijden het resultaat zijn van een schijnkracht, wat leidde tot een fundamenteel misverstand omtrent Figuur 3 en 4. Dit is gecorrigeerd.

    Figuur 4 is een bewerkte weergave (uitsnede) van het origineel vervaardigd door Krishnavedala onder CC BY-SA 3.0.

    We hebben de draaiing van de aarde, het Coriolis-effect, de aanwezigheid van de zon en land, etc. niet in beschouwing genomen om het simpel te houden. Dit verandert de situatie enigszins, maar verder niet de essentie van het verhaal.